FOTO’S EN FILMPJES OP SOCIALE MEDIA: WAT MET HET RECHT OP  AFBEELDING EN DE GDPR?

Een camera is vandaag de dag niet meer weg te denken. Van werkelijk àlles worden foto’s en filmpjes gemaakt.

Maakt u beeldmateriaal van anderen, dan dient u nochtans wel rekening te houden met enerzijds het recht op afbeelding en anderzijds de GDPR (General Data Protection Regulation oftewel Algemene Verordening Gegevensbescherming).

Waarmee dient u rekening te houden bij het maken en gebruiken van beeldmateriaal?

Het recht op afbeelding beschermt de beeltenis van de mens en laat iedereen toe zich te verzetten tegen het maken, het publiek vertonen, het verspreiden, het gebruik of de verandering van zijn afbeelding zonder zijn toestemming. De bescherming strekt zich ook uit tot de afbeelding zelf, waarvan sprake is wanneer men de beeltenis van een persoon weergeeft door middel van technieken, mimiek, vermomming of nabootsing die vastgelegd wordt.

Het recht op afbeelding vindt op supranationaal niveau bescherming in artikel 8 EVRM, artikel 17 BUPO en artikel 16 IVRK, op nationaal niveau wordt de bescherming geboden via artikel 22 Grondwet, artikel 10 Auteurswet en de Wet Verwerking Persoonsgegevens[1].

Het komt alleen aan de betrokken persoon zelf toe te beslissen over de vervaardiging en over het gebruik van de afbeelding van zijn beeltenis.

Het soort beeldmateriaal dat u maakt, bepaalt of u ook toestemming dient te vragen om beeldmateriaal van een persoon te mogen nemen:

  • Maakt u gerichte beelden, nl. beelden waarbij de persoon duidelijk herkenbaar in beeld wordt gebracht, dan is er altijd toestemming nodig van de persoon die u in beeld brengt. In dat geval dient u tevens te vermelden voor welke doeleinden u deze beelden wenst te gebruiken.
  • Maakt u niet gerichte beelden, nl. beelden waarbij u niet de bedoeling heeft om één of meerdere personen duidelijk in beeld te brengen, waarbij u een algemeen sfeerbeeld wenst weer te geven, dan heeft u geen toestemming nodig. Evenwel dient de aanwezigheid van camera’s dan wel duidelijk aangegeven te worden. Indien een persoon weigert om op een sfeerbeeld te staan, dan dient hiermee rekening te worden gehouden.

Voor de publicatie van beeldmateriaal gelden dezelfde regels met betrekking tot de toestemming van de afgebeelde persoon als de regels die gelden voor het maken ervan.

Indien het betrokken individu zijn akkoord geeft tot het vervaardigen of gebruiken van zijn beeltenis, sluit dit een schending van zijn recht op afbeelding uit. Het bewijs van deze toestemming moet geleverd worden door degene die de afbeelding exploiteert. Indien iemand zijn toestemming intrekt, dan moet hieraan ook gevolg gegeven worden.

Er zijn wel afwijkingen op deze principes.

Begeeft een persoon zich op een publieke plaats, dan geeft hij in feite zijn stilzwijgende toestemming om beeldmateriaal te nemen. Die toestemming wordt afgeleid uit de feitelijke omstandigheden. Maar om een dergelijke afbeelding verder te gebruiken, is wel toestemming nodig indien de persoon het hoofdonderwerp van de afbeelding uitmaakt.

U dient echter niet te vrezen voor uw talloze vakantiekiekjes. Indien er op een publieke plaats per toeval een aantal personen op de achtergrond van uw afbeelding staan, bijvoorbeeld een foto van een standbeeld waarop toevallig enkele voorbijgangers staan, is er geen toestemming nodig voor het verdere gebruik van de foto.

Ook  voor publieke personen (politici, zangers, …) geldt een uitzondering. Onder ‘publieke persoon’ wordt begrepen iemand die een openbaar ambt uitoefent of publieke middelen gebruikt of meer in het algemeen iemand die een rol speelt in het openbare leven, dit kan zowel in de politiek zijn als in de economie, de kunsten, de sociale sfeer, de sport of elk ander domein. Een publieke figuur dient dan ook meer te verdragen dan een doorsnee persoon die geen publieke figuur is.[2] Deze personen dienen in principe geen voorafgaande toestemming te geven aangezien hier het recht op informatie geldt, doch dient de afbeelding wel een informatief doeleinde hebben (geen commercieel doeleinde) en dient deze het recht op eerbieding van het privéleven te respecteren. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden, bv. foto’s van tijdens een optreden tegen opzichte van foto’s tijdens een gezinsuitstap.

Voor het maken en gebruiken van afbeeldingen voor louter persoonlijke of huishoudelijke doeleinden zoals een familiealbum zijn deze regels niet van toepassing. Evenwel, wanneer u deze foto’s op het internet plaatst, dan overstijgt dit de persoonlijke of huishoudelijke doeleinden zodat voorgaande regels dan weer wel van toepassing zijn.

De toestemming

De toelating is bijzonder en dient restrictief geïnterpreteerd te worden. De toelating tot het maken van een foto brengt dan ook niet mee dat daarbij ook toelating wordt gegeven tot het gebruiken, verspreiden en publiceren van deze foto. Dit laatste kan enkel wanneer hierin uitdrukkelijk wordt ingestemd. Een gegeven toestemming kan wel steeds worden ingetrokken.

De toestemming hoeft niet schriftelijk te zijn, maar kan ook mondeling en zelfs stilzwijgend gegeven te worden. Een stilzwijgende toestemming wordt slechts aanvaard voorzover de concrete omstandigheden elke dubbelzinnigheid daaromtrent uitsluiten. De toestemming is een feitelijk gegeven en kan aldus met alle middelen van recht worden bewezen, met inbegrip van getuigen en vermoedens. In geval van betwisting komt het toe aan de rechter om te oordelen over de waarde van de aangevoerde bewijsmiddelen.

De toestemming voor het verdere gebruik van de afbeelding moet bovendien voldoende worden opgesplitst: enkel publicaties op papier, ook publicaties op het web en sociale media. Dit is van belang aangezien u bij het de plaatsing van de afbeelding op sociale media het gebruiksrecht van deze afbeelding doorgeeft aan de sociale media.

Schending van het recht op afbeelding?

Een schending van het recht op afbeelding is voorhanden wanneer het betrokken individu, zonder zijn toelating, afgebeeld wordt, of wanneer een toegelaten afbeelding voor niet toegestane doeleinden wordt gebruikt.

Schendingen op het recht op afbeeldingen worden gesanctioneerd via de aquiliaanse aansprakelijkheid. Echter, de rechtspraak erkent daarnaast ook een autonome sanctionering van het persoonlijkheidsrecht op afbeelding waartoe geen fout noch schade noch causaal verband tussen beide dient bewezen te worden.[3] Het bewijs van de materiële daad van het afbeelden of het gebruiken van de afbeelding zonder toelating, volstaat opdat het recht op afbeelding geschonden is. Het is dus niet vereist een fout te bewijzen in hoofde van de overtreder[4], zodoende is ook geen toetsing vereist aan de algemene zorgvuldigheidsnorm van de bonus pater familias.[5]

Er kan gesteld worden dat vrij algemeen wordt aangenomen dat de benadeelde niet het bewijs van het bestaan van een fout dient te leveren, in tegenstelling tot het materiële schadebegrip. Er dient aldus geen schade, noch oorzakelijk verband te worden aangetoond. Het volstaat dus in beginsel dat vaststaat dat het bewijs van de toestemming niet werd gegeven. De bewijslast van de toestemming tot het nemen en het gebruik van de beeltenis van een persoon, ligt op de gebruiker van de afbeelding.

Sanctie in geval van schending?

De sanctionering van de schending van het recht op afbeelding kan bestaan in een verbod om de foto, film,… nog verder te verspreiden[6], het rechterlijk bevel tot verwijdering van affiches en publiciteitsmateriaal waar de geportretteerde op afgebeeld staat, het bevel om al dit materiaal te vernietigen, en het verbod om nog verder gebruik te maken van deze afbeelding, een vergoeding voor morele en/of materiële schade[7], een financiële vergoeding voor de geleverde prestaties[8], een bevel om bestaande publicaties uit circulatie te nemen en eventueel een publicatie van de gerechtelijke uitspraak[9].

Deze autonome sanctionering kan gecumuleerd worden met een sanctionering op basis van de aquiliaanse aansprakelijkheid.[10] Bovendien is er bijzondere wetgeving voorhanden die een specifieke bescherming biedt, zoals art. 433bis, derde en vierde lid Sw. en art. 378bis Sw.

Een schending van het recht op afbeelding brengt niet steeds rechtsgevolgen met zich mee. Het is namelijk zo dat ingeval het recht op afbeelding in conflict komt met andere rechten of vrijheden, dat het recht op afbeelding geen rechtsgevolgen zal teweegbrengen indien aan andere rechten of vrijheden in een specifiek geval een zwaarder gewicht toekomt.[11]

Uiteraard  kan ook besloten worden tot een fout in de zin van artikel 1382 BW, zonder dat een schending van het recht op afbeelding geschonden blijkt te zijn.[12]

Er kan ook samenloop ontstaan van aansprakelijkheid. Een inbreuk op artikel 10 Auteurswet, zijnde een inbreuk op een regel, die de basis vormt voor bepaalde contractuele afspraken, kan daarnaast ook een inbreuk uitmaken op de algemene zorgvuldigheidsplicht en zodanig schade veroorzaken die anders is dan schade die te wijten is aan de slechte uitvoering van een contract.

GDPR

De GDPR is van toepassing bij het maken van beeldmateriaal vermits dit een verwerking van persoonsgegevens uitmaakt. U dient aldus de regels van de GDPR te volgen (link naar onze blog over GDPR) en dus onder meer in het register te vermelden waarom je beeldmateriaal opneemt en voor welke doeleinden, enz.

Enkele toepassingsgevallen:

In zijn vonnis van 20 september 2001 stelde de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel het recht op afbeelding werd geschonden door het enkel feit van de publicatie zonder toestemming van de afgebeelde persoon. De omvang van de schade diende wel nog aangetoond te worden.[13]

De rechtbank van eerste aanleg te Gent volgt deze zienswijze ook in zijn vonnis van 24 juni 2002. De rechtbank haalt aan dat een afbeelding werd gebruikt in een promotiecampagne zonder dat de geportretteerde hiertoe haar toestemming had verleend, en dat dit louter feit volstaat om haar aansprakelijkheid t.a.v. de geportretteerde in het gedrang te brengen wegens een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht of het recht op afbeelding van de eiseres.[14]

Het hof van beroep te Gent oordeelde in zijn vonnis van 20 september 2006 dat het de loutere schending van het recht op afbeelding voor de afgebeelde persoon een aanspraak op vergoeding opent en dat daartoe het bewijs van fout, schade en oorzakelijk verband niet vereist is.

Ook de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde in zijn vonnis van 28 september 2010 in dezelfde lijn. In het tijdschrift Grande werd een foto gepubliceerd van eisers, zittend in een Mercedes met open dak, dit zonder dat de nodige toestemming van de geportretteerden werd verkregen. Het bijhorende artikel werd in de inleiding vermeld: “Geen enkele Belg verdient gemiddeld méér dan een inwoner van het Waals-Brabantse Lasne”. De rechtbank stelt daarin dat het louter afbeelden zonder toelating van de betrokkene een fout is en recht geeft op vergoeding, ook al bewijst het slachtoffer niet dat daardoor materiële schade werd geleden, en ook al was de afbeelder volstrekt te goeder trouw daar het niet verkrijgen van de toelating alleen aan een vergetelheid of vergissing te wijten was.[15]

Alsook is het publiceren van een foto zonder de toestemming van de geportretteerde op zichzelf niet foutief voor zover de rechtszaak waarover men rapporteert een relevant maatschappelijk belang heeft, of de verdachte een publiek persoon is. Zo maakt het publiceren van een kleine foto van de verdachte die de feiten heeft bekend, bij het verslag over een gewelddadige dood van een persoon die eerst door de vermoedelijke dader werd opgegeven als vermist, geen fout uit.[16] Het recht op afbeelding van een persoon moet in dat geval wijken voor de noodzaak van informatie over de actualiteit.[17] Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft dan ook als regel bepaald dat het bekendmaken van privacygegevens slechts kan indien hierdoor en bijdrage wordt geleverd tot een debat van maatschappelijk belang.[18]

Echter wordt nog af en toe anders tewerk gegaan, de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel ging in zijn vonnis van 20 januari 2006 na of de journalisten in kwestie zich gedragen hebben zoals normaal en zorgvuldig handelende auteurs die zich in gelijke omstandigheden bevinden, alvorens tot een fout te besluiten.[19] Ook de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen stelde dat de uitgever zich niet gedragen had zoals een normaal en voorzichtig uitgever geplaats in dezelfde omstandigheden zou gedaan hebben, nadat de rechtbank al had vastgesteld dat het recht op de persoonlijke levenssfeer en het recht op afbeelding ernstig geschonden waren. Er werd een morele schadevergoeding toegekend, begroot naar billijkheid.[20]

[1] Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, BS 18 maart 1993.

[2] Gent 21 februari 2008, AM 2008, afl. 4, 318-320 en RABG 2008, afl. 20, 1267, noot F. Petillion; Rb. Brussel (14e k.) 19 maart 2002, AM 2002, afl. 6, 563, noot F. J.; Rb. Gent (16de k.) 19 november 2010, AM 2011, afl. 2, 246.

[3] Antwerpen 19 december 1995, Auteurs & Media 1996, 360, noot D. Voorhoof; Rb. Antwerpen, 24 juni 1985, RW 1985-86, 2645, noot G.L. Ballon.

[4] Rb. Antwerpen 12 mei 1989, RW 1989-90, 654.

[5] Rb. Brussel 20 september 2001, AM 2002, 77, noot; Gent 24 juni 2002, AM 2003, 143.

[6] Rb. Brussel 20 september 2001, AM 2002, afl. 1,77; TBBR 2002, afl. 3, 162; Brussel 12 maart 2004, AM 2005, afl. 1, 78; JLMB 2004, afl. 18, 784 en NJW 2004, afl. 71, 599, noot E. Brewaeys; Kort Ged. Voorz. Rb. Antwerpen 9 maart 2004, AM 2005, 168.

[7] Rb. Brussel 20 september 2001, AM 2002, afl. 1,77; TBBR 2002, afl. 3, 162; Gent 21 februari 2008, AM 2008, afl. 4, 318 en RABG 2008, afl. 20, 1267, noot F. Petillion.

[8] Antwerpen 5 mei 2003, NjW 2003, afl. 48, 1193, noot J. DEENE en RW 2004-05, afl. 29, 1145.

[9] Antwerpen 26 maart 2007, NjW 2007, afl. 170, 801, noot E. Brewaeys; Rb. Antwerpen 23 juni 2005, AM 2005, afl. 5, 455 en NjW 2005, afl. 122, 987, noot E. Brewaeys.

[10] Rb. Brussel 20 september 2001, AM 2002, afl. 1,77; TBBR 2002, afl. 3, 162; P. Senaeve, Compendium van het Personen- en Familierecht, Leuven, Acco, 2008, 180, nr. 406.

[11] Toepassing: Voorz. Rb. Brussel 21 maart 2001, AM 2002, 75, noot; Dierickx, L., Het recht op afbeelding, Antwerpen, Intersentia, 2005, 85, nr. 152.

[12] Rb. Antwerpen 23 juni 2005, AM 2005, afl. 5, 455 en NjW 2005, afl. 122, 987, noot E. Brewaeys.

[13] Rb. Brussel 20 september 2001, AM 2002, afl. 1,77; TBBR 2002, afl. 3, 162.

[14] Rb. Gent 24 juni 2002, AM 2003, 143, noot M. Isgour; NjW 2002, afl. 12, noot E. Brewaeys.

[15] Rb. Brussel (22ste k.) 28 september 2010, AM 2011, afl. 3, 334.

[16] Rb. Hasselt

[17] Brussel 15 september 2006, NJW 2007, 80.

[18] EHRM 16 april 2009, Egeland en Hanseid/Noorwegen, Mediaforum 2009, 208; EHRM 9 april 2009, A./Noorwegen, NJB 2009, 1515; EHRM 13 december 2005, Wirtschafts-trends Zeitschriftenverlaggesellschaft/Oostenrijk, NjW 2006, 462.

[19] Rb. Brussel 20 januari 2006, AM 2006, afl.2, 208; NjW 2006, afl. 139, 273, noot E. Brewaeys.

[20] Rb. Antwerpen 12 juni 2008, AM 2008, afl. 4, 321.

 

23 december 2019

Vanaf 1 januari 2017 worden geldboetes vermenigvuldigd met factor 8

 

 

 

 

 

 

Annelies Heirman

Advocaat

%d bloggers liken dit: