Ieder die persoonlijk verbonden is, is gehouden zijn verbintenissen na te komen, onder verband al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige.[1] Zo zal ook iedere zelfstandige met zijn privévermogen instaan voor de schulden die ontstaan in het kader van zijn beroepsactiviteit. Ingeval de zelfstandige zijn beroepsschulden onbetaald laat of zich geconfronteerd ziet met insolvabiliteit, zullen de beroepsschuldeisers zich kunnen richten tot alle roerende en onroerende goederen die tot het privévermogen behoren van de zelfstandige-schuldenaar. Afhankelijk van het huwelijksvermogensstelsel, zal de uitwinning door de schuldeisers ook invloed hebben op de goederen die behoren tot de huwgemeenschap. Reden genoeg dus om zich te beschermen!

  1. De oprichting van een vennootschap

De zelfstandige kan zich beschermen door het oprichten van een vennootschap die een aparte (rechts)persoon uitmaakt en dus een apart vermogen heeft. Indien de beroepsactiviteit niet door de zelfstandige maar door de vennootschap wordt uitgeoefend, is niet de zelfstandige maar wel de vennootschap met haar vermogen gehouden de verbintenissen na te komen en de beroepsschulden te voldoen. Overschrijden de beroepsschulden het vennootschapsvermogen en is de vennootschap insolvabel, dan is hoogstwaarschijnlijk voldaan aan de faillissementsvoorwaarden, zal de vennootschap failliet verklaard worden en zal de curator het vennootschapsvermogen vereffenen en verdelen onder de beroepsschuldeisers. Het privévermogen blijft buiten schot van de curator.

Het is belangrijk hierbij in het achterhoofd te houden en te nuanceren dat bepaalde vennootschapsvormen ook de persoonlijke, hoofdelijke gehoudenheid van de vennoten (en hun privévermogen) met zich meebrengen.[2] Daarnaast zal de bestuurder van de vennootschap er in bepaalde gevallen ertoe gehouden zijn om in te staan voor de vennootschapsschulden, zo onder meer in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid of een openstaande schuld in rekening-courant.

Het is dan ook aangewezen het belangrijkste goed uit het privévermogen van de zelfstandige te beschermen: de gezinswoning.

2. De onbeslagbaarheid van de gezinswoning

De wetgever beperkt het ondernemingsrisico voor de zelfstandige door de gezinswoning te beschermen door middel van een verklaring van onbeslagbaarheid.  De beroepsschuldeisers zullen, nadat de zelfstandige de verklaring van onbeslagbaarheid heeft laten verlijden bij de notaris, diens zakelijke rechten op de gezinswoning niet kunnen beslagen.[3]

Deze schuldeisers kunnen dan de gezinswoning niet laten verkopen om zich met de opbrengst te laten betalen. Het blijft evenwel mogelijk voor de beroepsschuldeisers een bewarend beslag te leggen op de zakelijke rechten van de zelfstandige op de gezinswoning.[4]

Wie kan de onbeslagbaarheid verklaren?

Iedere natuurlijk persoon die een beroepsbezigheid in hoofdberoep, in bij bijberoep, of een beroepsbezigheid na pensionering uitoefent in hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is, kan zijn zakelijke rechten op de gezinswoning niet vatbaar voor beslag verklaren.

De onbeslagbaarheid kan dus niet enkel door een vrij beroeper, een ondernemer met een eenmanszaak, maar ook door een mandataris (bv. een bestuurder of werkend vennoot) van een vennootschap worden verleden.

In welke mate wordt de gezinswoning onbeslagbaar?

De gezinswoning is het onroerend goed waar de zelfstandige zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd en waarop de zelfstandige een zakelijk recht[5] bezit. Zodra de bestemming van het onroerend goed  als hoofdverblijfplaats ophoudt, vervalt de bescherming, in welk geval een nieuwe verklaring met betrekking tot de nieuwe gezinswoning zich opdringt.[6]

In welke mate de zakelijke rechten van de zelfstandige op de gezinswoning worden beschermd, hangt af van (i) de omvang van het zakelijk recht van de zelfstandige op de gezinswoning en (ii) of de gezinswoning ook voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt:

  • Ingeval van onverdeelde zakelijke rechten is de uitwerking van de verklaring (e. de bescherming) beperkt tot het onverdeeld aandeel waarover de zelfstandige beschikt op datum van de akte houdende de verklaring. Bij latere uitbreiding van de zakelijke rechten op de gezinswoning, wordt de uitwerking van de verklaring van rechtswege en retroactief uitgebreid tot de nieuw verworven zakelijke rechten.[7] Dezelfde regeling geldt identiek bij opsplitsing in vruchtgebruik en blote eigendom.
  • Wanneer minder dan 30% van de oppervlakte van de gezinswoning[8] wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden, kunnen de zakelijke rechten van de zelfstandige op de gehele gezinswoning niet vatbaar voor beslag worden verklaard.

Wordt er 30% of meer van de oppervlakte van de gezinswoning gebruikt voor beroepsdoeleinden, kunnen enkel de zakelijke rechten van de zelfstandige op het gedeelte van de gezinswoning dat als hoofdverblijfplaats wordt gebruikt, niet vatbaar voor beslag worden verklaard. In dit geval dienen statuten[9] te worden opgemaakt, zodat een onderscheid tussen het privatief gedeelte en het gedeelte voor beroepsdoeleinden duidelijk wordt. Het gedeelte voor beroepsdoeleinden wordt immers niet beschermd en is aldus vatbaar voor uitvoerend beslag.

Hoe gebeurt de verklaring?

De verklaring dient voor een notaris te worden verleden en bevat een gedetailleerde beschrijving van de gezinswoning en de vermelding van de eigen, gemeenschappelijke of onverdeelde aard van de zakelijke rechten die de zelfstandige bezit op de gezinswoning. De notaris zal na de toestemming van de echtgenoot van de zelfstandige[10] inzake de onbeslagbaarheid, de akte verlijden en laten overschrijven in het register op het hypotheekkantoor.

Het ereloon van de notaris wordt wettelijk bepaald op 500,00 EUR. Deze som kan vermeerderd worden met kosten voor inschrijving en overige administratiekosten.

Bescherming tegen welke beroepsschuldeisers?

Na de overschrijving is de verklaring van onbeslagbaarheid tegenwerpelijk aan derden en zijn de zakelijke rechten van de zelfstandige op de gezinswoning beschermd tegen beroepsschuldeisers, van wie de schuldvorderingen zijn ontstaan na de overschrijving. De bescherming is evenwel uitgesloten voor bepaalde beroepsschulden die zijn ontstaan na de overschrijving:[11]

  • zogenaamde ‘gemengde’ schulden, die verband hebben met zowel met het privéleven als de beroepsactiviteit van de zelfstandige;
  • schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid;
  • schuldvorderingen op basis van een kennelijke bestuursfout die heeft bijdragen tot het faillissement;

Gelet op deze bescherming, kan het moeilijker zijn voor de zelfstandige om een zakelijk krediet te bekomen bij de banken. De banken zien immers hun kansen op uitwinning van hun opeisbare vordering aanzienlijk dalen.

Wat als de beschermde gezinswoning wordt verkocht?

In geval de gezinswoning wordt verkocht door beroepsschuldeisers ten aanzien van wie de verklaring geen uitwerking heeft, zal het aandeel van de zelfstandige in de verkoopsom toekomen aan deze beroepsschuldeisers.

Het saldo van deze verkoopsom blijft onbeslagbaar voor beroepsschuldeisers ten aanzien van wie de verklaring wel uitwerking heeft, doch enkel indien de uit de verkoop verkregen geldsom binnen een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de datum van de authentieke akte, door de zelfstandige wordt wederbelegd om een nieuwe gezinswoning aan te kopen.[12] Gebeurt de wederbelegging ontijdig, dan zal de resterende koopsom verdeeld worden onder de resterende schuldeisers.

Dezelfde bescherming (mits tijdige wederbelegging) geldt voor de zelfstandige die zelf de gezinswoning verkoopt. De zakelijke rechten van de zelfstandige op de nieuw aangekochte hoofdverblijfplaats blijven niet vatbaar voor beslag ten aanzien van de beroepsschuldeisers ten aanzien van wie de oorspronkelijke verklaring van onbeslagbaarheid uitwerking had. In deze omstandigheden geniet de zelfstandige een continue bescherming tegen zijn beroepsschuldeisers.[13]

Komt er een einde aan de onbeslagbaarheid?

Zoals eerder aangegeven, komt er een einde aan de onbeslagbaarheid wanneer de gezinswoning niet langer tot de hoofdverblijfplaats van de zelfstandige dient, alsook wanneer de gezinswoning wordt verkocht zonder een tijdige wederbelegging.

Voorts komt er een einde aan de onbeslagbaarheid bij het overlijden van de zelfstandige. De verklaring van onbeslagbaarheid wordt dan van rechtswege herroepen, doch zal enkel uitwerking hebben voor de toekomst. De beroepsschuldeisers ten aanzien van wie de verklaring van onbeslagbaarheid uitwerking had gedurende het leven van de zelfstandige, zullen derhalve geconfronteerd worden met een blijvende onbeslagbaarheid van de gezinswoning. Op die manier genieten de erfgenamen van de zelfstandige ook enige bescherming tegen de beroepsschuldeisers van de erflater.

Tot slot kan de zelfstandige zelf een afstand doen van de verklaring tot onbeslagbaarheid.[14] Door de stopzetting van de zelfstandige activiteit of in geval van faillissement, zal de onbeslagbaarheid onverkort blijven gelden.

3. Conclusie

De zelfstandige geniet door de verklaring van onbeslagbaarheid een zekere bescherming tegen zijn beroepsschuldeisers, hetgeen het ondernemersrisico enigszins beperkt. De onbeslagbaarheid is evenwel geen wondermiddel: in bepaalde gevallen zal zij geen uitwerking hebben, waardoor het privévermogen toch niet buiten schot valt van beroepsschuldeisers of de curator. Ook is de regeling inzake onbeslagbaarheid gevoelig voor veranderingen, bijvoorbeeld wanneer de zelfstandige zijn gezinswoning inruilt voor een andere.

 

[1] Art.7 Hypotheekwet.

[2] Bij wijze van voorbeeld: de vennoten van de vennootschap onder firma, de beherend vennoten van de commanditaire vennootschap, etc.

[3] Art. 72- 83 Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen(IV), BS 08 mei 2007.

[4] E. DIRIX, “Onbeslagbaarheid van de gezinswoning van de zelfstandige”, in X., Faillissement & Reorganisatie, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2014, II.E.11-19.

[5] Dit zijn geen persoonlijke rechten zoals gebruiksrecht, huurrecht of het recht van bewoning.

[6] Cass. 3 oktober 2014, Arr. Cass. 2014, afl.10, 2080; Antwerpen 19 juni 2013, RW 2014-15, afl. 5,185.

[7] Tenzij de beroepsschuldeiser zou aantonen dat de zelfstandige zijn solvabiliteit opzettelijk heeft verminderd. (Art. 74, §1, 2de lid Wet houdende diverse bepalingen(IV), BS 08 mei 2007).

[8] Tot de oppervlakte van de gezinswoning behoren zowel de oppervlakte van het gebouw, met inbegrip van alle verdiepingen, als het terrein. (Art. 75, 4de lid Wet houdende diverse bepalingen(IV), BS 08 mei 2007).

[9] Overeenkomstig de bepalingen van art. 577-3 B.W. e.v.

[10] Eigenaardig genoeg dient geen toestemming te worden gevraagd aan de (wettelijk) samenwonende partner.

[11] Art. 77 Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen(IV), BS 08 mei 2007.

[12] Art. 81, §1 Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen(IV), BS 08 mei 2007.

[13] De continuïteit van bescherming wordt evenwel niet geboden in de omstandigheid waarin eerst een tweede verblijfplaats wordt gekocht om naderhand de eerste hoofdverblijfplaats wordt verkocht. (M. REYNEBEAU, “De mogelijkheid voor zelfstandigen om de gezinswoning niet-beslagbaar te laten verklaren”, in X., Huwelijksvermogensrecht, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2017, TXXV.5.-2)

[14] Afstand doen van de verklaring kan echter enkel voor de gehele verklaring en ten aanzien van alle beroepsschuldeisers.

 

14februari 2020

 

 

 

 

Glenn De Ridder

Advocaat

%d bloggers liken dit: